Een zomerse toekomst


Mattheüs 24, 32
“Leert dan van de vijgenboom deze les: wanneer zijn hout reeds week wordt en de bladeren doet uitspruiten, weet gij daaraan dat de zomer nabij is.”

VijgenboomOp 21 juni begint de zomer! Men hoeft dat woord maar te noemen en iedereen begint te stralen als de gelukkige mens die iedereen had willen worden.

Niet alleen het hout van de bomen wordt week: ons hart doet mee.

Wij willen graag iets leren van de bomen. Ze lijken ineens allemaal weer familie van de boom des levens. Wij voelen ons groeien, als wij merken hoe er groei in de bomen zit. O nee, wij denken dan niet: hoge bomen vangen veel wind. En ook niet: boompje groot, plantertje dood. Maar aan de vijgenboom uit Mattheüs willen wij wèl denken: die luidt immers de zomer in?

“Enkel troostwoorden”, schreef Luther over deze tekst, “Jezus ontleent niet een tekst en gelijkenis aan de herfst of de winter, als alle bomen kaal worden, maar aan de lente en de zomer en dat is vrolijke, lustige tijd!”

Ach wij, Europa centrische westerlingen… Moeten wij dan álles bekijken door onze bril? In Israël wekt het woord zomer héél andere associaties dan bij ons. Als de vijgenboom de zomer voorspelt, dan voorspelt dit weinig goeds. De mooiste maanden zijn dan al voorbij. De zomer is het toonbeeld van stof en dorheid en droogte en verzengende wind en drukkende hitte en epidemieën. De mensen en de dingen verschrompelen. De zomer doet Jezus niet denken aan de vakantie, maar aan het einde der wereld. De vijgenboom staat in de rede over de laatste dingen.

Jawel, zegt een slimme lezer, maar in die rede staat toch eveneens de bede: “bidt dat uw vlucht niet in de winter valle” (Matth.24,20)?

Maar ook daarbij denkt Jezus weer aan een heel ander klimaat dan wij.

Wij zien achter die tekst een stoet van slecht geklede vluchtelingen in een gure winterstorm. Maar in Palestina is de winter de regentijd. Het vluchten wordt dan bemoeilijkt door de vele aangezwollen stroompjes en de hoge waterstand van de rivieren. Het zou voor de discipelen niet vreemd hebben geklonken, als Jezus erbij had gezegd: bidt ook maar dat het niet in de zomer gebeurt.

De vijgenboom is een van de weinige bomen, die in dat land van de altijd groene loofbomen er in de winter kaal bij staat. Hij krijgt zijn bladeren niet spoedig terug. Er staat hier in het Grieks: als tenslotte, na lang wachten, de vijgenboom gaat werken. Het is een langslaper, het tegendeel van de waakzame amandel. Het is nooit te berekenen wanneer hij eindelijk wakker wordt. Maar als het zover is, dan weet ook iedereen: de zomer staat voor de deur, wij moeten ons op het ergste voorbereiden!

De Palestijnse zomer zou moeilijk te verdragen zijn, wanneer de temperatuur ’s nachts niet zou dalen, zodat het ’s morgens in de schaduw nog een tijd koel blijft. Bij het woord zomer moeten wij het beeld zien opdoemen van het zoontje van de Sunemietische, getroffen door een zonnesteek, en van Manasse, de man van Judith, gestorven van de hitte tijdens de gersteoogst, en van de dichter die wil overnachten in de schaduw van de Almachtige – een machtig-brede schaduw! – en van de dorstige bruidegom, die de ogen van zijn bruid met de vijvers van Hesbon vergelijkt. Als Amos spreekt van een zomerhuis, moeten wij niet denken aan het zomerwoningenterrein op Terschelling, maar aan een huis waarin men de warmte kan buitensluiten, met koele kamers!

Als Jezus ons een zomerse toekomst voorzegt, ziet het er niet mooi uit. De vijgenboom heeft geen goed nieuws. Vakantie is er niet bij! Er is maar één manier om op de been te blijven: wij mogen in de schaduw gaan zitten van de stellige belofte, die wij zelfs op de komende laatste dingen mogen toepassen:

“De zon zal u des daags niet steken!”

(uit: Daglicht, een Bijbels dagboek van Okke Jager, bij de 21e juni)

 

Het einde aller dingen is nabij
(naar 1 Petrus 4, 7 – 11)

1. Het einde aller dingen is nabij,
zo weest dan nuchter, waakt in de gebeden,
vurig van hart en staat elkander bij;
liefde dekt alle ongerechtigheden.

2. Staat voor elkander open, dient elkaar,
ieder gelijk hij gaven heeft gekregen;
maakt om u heen het heil des Heren waar
en deelt met een ruim hart Gods grote zegen.

3. Als iemand spreekt, hij spreke frank en vrij-
als iemand dient, hij diene met zijn daden,
dat God in taal en taak verheerlijkt zij:
Woord voor zijn Woord, genade voor genade.

4. Door Jezus de Messias wien behoort
de kracht, de heerlijkheid alle de dagen;
zo weest waakzaam nu en gedenkt het Woord- –
het einde aller dingen heeft geslagen.

ds. W. Barnard
gez. 106 uit het Liedboek der Kerken

Share

Een reactie plaatsen

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *