De haren op uw hoofd


Mattheüs 10: 29-31

“Worden niet twee mussen te koop aangeboden voor een duit? En niet één daarvan zal ter aarde vallen zonder uw Vader. En de haren van uw hoofd zijn ook alle geteld. Weest dan niet bevreesd; gij gaat vele mussen te boven”.

MusOnze tekst heeft men altijd als een soort bewijs gezien voor het zogenaamde ‘voorzienigheidsgeloof’. Dat wat er gebeurt niet toevallig is. Iets wat je toe-valt, onverwacht en onvoorspelbaar. Het valt je niet zo maar toe en het valt ook niet zo maar van je af. Maar daar zit de wil van God achter. Zo werd het de mensen vroeger altijd geleerd. Wat met ons gebeurt, is niet toevallig, het staat ook niet in de sterren, je hoeft er de horoscoop niet op na te lezen, maar het staat in Gods plan met de mensen. Het valt ons niet toe, maar het komt ons toe uit Gods hand. Zó hebben we dat geleerd en zó staat het nog in de Heidelbergse Catechismus, Zondag 1: “dat God ons alzo regeert, dat loof en gras, regen en droogte, vruchtbare en onvruchtbare jaren, spijze en drank, gezondheid en krankheid, rijkdom en armoede, en alle ding, niet bij geval, maar van Zijne vaderlijke hand ons toekomen”. Alles in ons leven is dus – zo ziet de Heidelberger het – door God geprogrammeerd. Zo zouden we op moderne wijze ons God kunnen voorstellen als de grote regulator, de man achter de knoppen, als een procesmanager, die vanachter een groot computerscherm alles bestuurt.

Velen hebben vandaag met dit beeld van de grote regelende God grote moeite. Dat God in alle dingen voorziet, is bepaald geen troost als een mens verschrikkelijke dingen moet meemaken. “Het wordt je niet door mensen aangedaan, God zal er wel Zijn wijze bedoeling mee hebben…” Hoe vaak hoor je dit niet? Mensen denken daarmee de ander te kunnen troosten. Maar welke troost kan een mens daarin vinden? Als we denken aan de welvaart aan onze kant van de aardbol en de schrijnende armoede aan de andere kant? Als we denken aan de gezondheid van hen, die de duurste specialisten kunnen betalen en de ziekte van tallozen, voor wie geen medische hulp beschikbaar is? Als we voor ons zien, hoe een spelend kind door een voortjakkerende auto wordt overreden? En dichter bij huis misschien: hoe mensen door een hersenbloeding of hartinfarct van het ene op het andere moment totaal ontredderd raken, en ik lees de rouwadvertenties van jonge mensen, die hun vreselijke ziekte zo dapper gedragen hebben… En dan denken we ook aan  de talloze slachtoffers van zinloos geweld, terroristische aanslagen en natuurrampen. In de dierenwereld is het niet anders: in China zijn de honden vogelvrij verklaard, worden katten opgehangen en elders worden duizenden dolfijnen in netten gevangen en is de walvisvangst weer heropend.  En dan moet ik denken aan de musjes, waarvan Jezus spreekt. Dat er geen musje ter aarde zal vallen zonder uw Vader. En dan mag u gerust weten, dat ik daar moeite mee heb, heel veel moeite en dat ik er sterk over denk om op de Dierenpartij te gaan stemmen!

Het zal bij u niet anders zijn. Kunnen we ons een God voorstellen, die zulke verschrikkelijke dingen doet, laat gebeuren, het in ieder geval niet verhindert? Misschien zelfs wel er de hand in heeft om mensen op te voeden of tot geloof te brengen, zoals de vrienden van Job indertijd dachten? God, die er wel Zijn bedoelingen mee zal hebben? En dan nog wel in Zijn oneindige wijsheid? “Laat Hem besturen, waken, ’t is wijsheid wat Hij doet!” Het zijn de woorden van een bekend gezang. Wat moeten we daar nu mee? Zó kan een mens toch niet aan God denken? Dat moesten we ook maar liever niet doen, want zó halen we God omlaag naar onze slechte wereld toe. Laten we het lijden toch niet verbloemen door er een goddelijke zin aan te geven. “Het zal wel ergens goed voor zijn…” Nee, zo moeten we niet praten, daar is lijden te verschrikkelijk voor! Een gruwelijk raadsel. En het wordt alleen maar erger, als je daarvan God de schuld moet geven.

Maar wat moeten we dan met onze tekst? Dat zonder God geen musje ter aarde valt en dat alle haren van ons hoofd geteld zijn?

Laten we de tekst en het verband waarin hij staat, eerst eens goed lezen. Jezus stuurt de discipelen er op uit om in Israël het nabij gekomen Koninkrijk van God te prediken en als bewijs daarvan zieken te gaan genezen .Maar hij waarschuwt ze ook: “Denk nu niet, dat jullie het reuze gemakkelijk zullen krijgen, want een discipel staat niet boven zijn meester. Wat ze met de Meester zullen gaan doen, gaan ze ook met jullie doen! De mensen zullen jullie vervolgen, maar – zo troost Jezus hen dan – je hoeft echt niet bang te zijn voor hen die het lichaam kunnen doden. Zelfs het lot van die waardeloze musjes (twee voor een duit, dertien in een dozijn) ontgaat niet aan de hemelse Vader, als zij op de grond ploffen, dood. Dacht je dan, dat het de hemelse Vader wel ontging, als jullie op de grond ploffen: dood? Weest dan niet bevreesd… God zal voor jullie zorgen!”

Wat een geweldige troost! Zelfs in de dood laat God ons niet los. Dat staat er toch? En dan denken we aan Psalm 23: “Al ga ik ook door een dal van diepe duisternis (de schaduw van de dood), Gij zijt bij mij”. En dan herinneren we ons de woorden van Psalm 121: “De Here zal uw uitgang en uw ingang bewaren.”De uitgang is de geboorte en de ingang de binnenkomst in Gods Koninkrijk. In deze Bijbelse traditie staat Jezus. Hij is het, Die het waarmaakt waar de Psalmen van spreken, waar zij hunkerend op hopen! Die troost geeft de tekst ook ons vandaag.

Maar heeft u daarin iets gehoord van de wil van God? Nee toch? Niet één van die musjes zal ter aarde vallen zonder uw Vader en al uw hoofdharen zijn geteld. Zó dicht staat God bij ons, zó zorgt Hij voor ons, zó kent Hij ons, ook ons verdriet en lijden. Maar daar staat toch niet, dat God dit wil, dat lijden en dat verdriet? En dat Hij Zelf daar de hand in heeft? Dat Hij ons daarmee bezoekt, beproeft, straft, opvoedt, bekeert? Niets van dat alles! We kunnen dan ook niet anders dan tot de conclusie komen, dat de Heidelberger onze tekst uit Mattheüs 10, 29-31 niet juist aanhaalt. De jonge Heidelbergse theologen, Ursinus en Olevianus, nauwelijks 20 jaar, hebben in hun onervarenheid de tekst verkeerd uitgelegd. Dat doen wij ook wel eens, wij lezen dan Bijbelteksten zoals ze in ons straatje goed te pas komen. In die tijd, in de 16e eeuw, was men zeer vertrouwd met dit voorzienigheidsgeloof. Eeuwen lang had de kerk het de mensen zó voorgehouden. Dan is het ook geen wonder, dat die jonge theologen ook onze tekst in dat licht hebben beschouwd.

Toch is het erg jammer, dat zij niet wat afstand hebben kunnen nemen van dit oude geloof. Want de Heidelberger heeft grote invloed gekregen op het Protestantse geloof, dat zich mede daaruit ontwikkeld heeft. Nog is de Heidelberger voor veel mensen in onze Kerken een autoriteit. En veel mensen zullen bij het lezen van wat ik net geschreven heb hun wenkbrauwen fronsen. Wat denkt zo’n dominee wel? Zou die het beter weten dan de Heidelberger?

Wij leven in een andere tijd. Wij kijken heel anders tegen sommige dingen aan. Dat is geen kwestie van beter weten. Wij hebben in onze tijd ook een ander beeld van God dan de mensen hadden in de 16e eeuw. De Almachtige Vader is voor ons meer een Gids en Begeleider, een Vriend en Vertrouwenspersoon geworden. Daarom kunnen wij ook moeilijk meegaan met zo’n voorzienigheidsgeloof of zoals het ook wel wordt gezien: een noodlotsgeloof.

Wij ervaren het, dat mensen in zo’n geloofshouding eigenlijk dubbel worden gepakt. Lijden en verlies is al zo moeilijk te dragen en dan moet je ’t ook nog zien als een soort “straf” van God.

Gelukkig spreekt de Bijbel daar niet van. Integendeel. De musjes van het dak en de haren op uw hoofd getuigen niet van Gods wil, als zij dood ter aarde ploffen of als er één van de haren ontbreekt. Van ellende trekt menigeen zich de haren uit het hoofd, dat wel, maar dat is niet omdat God dat wil. Die musjes en die haren wijzen op Gods trouw en aandacht en zorg voor al wat Hij geschapen heeft, ook voor u!

God is niet Degene, die u ten val brengt. Maar juist Degene, die uw val breekt: Christus gaat daar onder staan. Hij vangt ons als ’t ware in onze val op. “Komt allen tot Mij, die vermoeid en belast zijt en Ik zal u rust geven”. Rust, dat is troost, veiligheid, geborgenheid. Er is veel onrust, onveiligheid, onvrede, onrecht, verdriet en ellende. Daar weet God van. Daar zwijgt de Bijbel ook niet over. Elke dag komen mensen en dieren ten val. Zelfs die brutale, o zo behendige musjes vallen een keer uit de goot. ’t Is dus zeker niet zo, dat een kind van God niet kan vallen. We hebben zo juist nog uit de mond van de Heiland gehoord, dat Zijn volgelingen dezelfde weg als de Heer zouden moeten gaan. Een gelovige is per definitie ook een martelaar, iemand die moet vallen. En dat kan op velerlei manieren. Door ziekte, dood, rouw, discriminatie, enzovoort. Het leven wordt je aan de handen afgebroken. En er is geen ontkomen aan. Dan is de hemelse Vader voor ons gevoel ver te zoeken. Je staat voor een onneembare muur.

Maar dan laat Jezus ons achter die muur kijken. “Let eens op”, zegt Hij, “uw Vader is er bij, zelfs wanneer een musje dood neervalt, dus zeker bij u die Jezus volgt in uw leven. Hij is er bij, wanneer u neerstort. Wanneer de gevreesde ziekte u overvalt, wanneer u geen moed meer hebt om te leven, wanneer u zich eenzaam voelt, als u verder moet zonder uw geliefde partner. Hij kent uw zuchten en uw schreeuwen, uw hunkeren naar een beetje liefde, naar houvast. Hij ziet uw tranen en Hij neemt al die dingen in Zichzelf op en bewaart het daar totdat het nieuwe leven komt”.

De Bijbel geeft geen antwoord op het bittere raadsel van het lijden. Wij kunnen dat ook niet. Kijk maar naar de Heidelberger. Wie zal dit raadsel kunnen doorgronden? De Psalmdichter van Psalm 73 had daar ook grote moeite mee: “Ik tobde er over om dit te begrijpen…” Maar gelukkig bleef hij bij God: “maar mij aangaande, het is mij goed nabij God te zijn…” En daar kreeg hij rust door.

Het is de harde realiteit van het leven, dat er lijden en dood is. Het hoort er “gewoon” bij, zoals het donker bij het licht, de nacht bij de dag, de dood bij het leven. Laten we er ook niet meer achter zoeken dan ons gegeven is te weten. We moeten het accepteren zoals het komt, zonder daarvoor direct schuldigen aan te wijzen, ook God niet, de grote Beweger aller dingen.

We mogen het ook als levensecht ervaren, dat God dichtbij dat lijden is, niet er achter, maar er omheen. Hij slaat er Zijn handen omheen. Om dat lijden heen, om ons die lijden heen. Hij vangt ons op. God laat ons niet vallen. Jezus moest wel vallen als zoenoffer voor ons, maar de Vader ving Hem op en voerde Hem uit de diepte van de dood naar de opstanding in het licht van de nieuwe morgen, waarin de dood niet meer zijn zal.

Lijden, wie zal het ooit kunnen begrijpen? Niemand.

Er wordt ontzettend veel geleden. Gelukkig is God er ook nog. En niet één mus zal ter aarde vallen zonder Hem. En al de haren op uw hoofd zijn door Hem geteld.

Amen.

Share

Laat een reactie achter op Jan Knol Reactie annuleren

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

2 gedachten over “De haren op uw hoofd

  • Jan Knol

    Geachte collega, wat is dat nu voor een God
    die iets niet wil maar wel toe moet laten?
    God is toch geen mietje?

    Neem eens kennis van wat Spinoza hierover zegt,
    in bv Jan Knol, En je zult spinazie eten, Wereldbibliotheek, € 12,50.
    Die doet veel meer recht aan de almacht van God en ook aan zondag 10!!

  • Dirk

    De haren op uw hoofd, een zeer goed en duidelijk geschreven artikel, ik vroeg me het al een tijdje af, maar dit is een terdege en duidelijk antwoord!
    Mijn dank is groot voor de tijd dat u hierin gestoken heeft, ja het heeft mij goed gedaan!