Zacheüs

Lukas 19, 1-10

Zacheüs in de boom. Uit plaatjesbijbel afkomstig uit zw frankrijk St. Bertin klooster. ca. 1200We hebben vandaag een bekend Bijbels verhaal. Vroeger heb ik het met plezier op de Zondagsschool verteld. Je kon er zo veel kleur aan geven en er spanning in leggen. Ik herinner me nog goed, hoe ik Zacheüs boven in de boom had gekregen, maar toen niet meer wist hoe ik hem er uit moest krijgen! Er zit ook een grote actualiteit in dat verhaal: een mens, die zich verschuilt en zich toch bloot moet geven!

Jezus gaat door Jericho. Hij moet dat doen, het is Zijn goddelijke opdracht. Hij trekt door landen, steden, huizen, tijden en harten. Zo is het nóg. Hij komt ook bij u! Toen was het Jericho, de palmstad, beroemd door de vele kwekerijen van kruiden, bestemd voor geurige balsemoliën. Zoiets als bij ons het Westland of de Wieringermeer of Bleiswijk, waar al ónze lekkernijen worden gekweekt. Jericho was ook een belangrijk knooppunt van wegen. Als je in zulk een plaats tollenaar was, dan had je beslist een goede boterham. Maar je had ook veel te maken met afgunst en haat van Joden, die het een schande vonden wanneer je belasting inde voor de Romeinse bezetter. De man, die zoiets deed, kon zich met goed fatsoen niet in de openbaarheid vertonen. Hij was mikpunt van hatelijke blikken en de spot van omstanders. Waarom de mensen zo op tollenaars tegen waren? Niet alleen omdat zij heulden met de vijand, maar ook omdat zij meer geld vroegen dan hun toekwam. Zij verrijkten zich aan hun slachtoffers, en dat waren meestal de armen, de machtelozen, die zich niet te weer konden stellen. Zacheüs had dus wel carrière gemaakt, mar had dit moeten bekopen met het verlies van alles wat niet voor geld te koop is: geweten, eer, vriendschap, sociale omgang, en ik denk ook God. Hij is een collaborateur. De ouderen onder u kennen zulke mensen nog wel uit de oorlog: de landverraders en zwarthandelaren, die zich verrijkten aan de ellende van anderen. Wat een haat voelden de mensen toen!

Zacheüs was een keer op dat pad gegaan en kon nu niet meer terug. Het geld had hem in zijn macht, Bovendien kon hij nooit meer goed maken, wat hij aan anderen had misdaan. En dat zou hij volgens de Joodse wet moeten doen, wilde er voor hem een weg terug zijn. Nee, hij zat klem in de glamour van macht en geld, in het wereldje dat hij zelf had opgebouwd en dat toch van binnen zo leeg is. Het is eigenlijk precies eender als wat we de vorige keer over die onrechtvaardige rechter gehoord hebben. Een verstikkende wereld, waarin mensen in zich zelf zijn opgesloten. Zou het misschien daarom komen, door die leegte van binnen, dat Zacheüs een bijna instinctieve belangstelling had voor de doortrekkende profeet Jezus? Zó, dat hij in een vijgenboom klom? Hij dacht, dat hij daardoor niet gezien kon worden, net als bij de vijgenboom in het paradijs die zo veel bedekte?

Lukas zegt, dat Zacheüs klein van gestalte was. Dat heeft een dubbele betekenis, denk ik. Het verklaart waarom hij in de vijgenboom klom, dan kon hij beter over de hoofden van de mensen heenkijken. Maar het verklaart misschien ook, waarom hij tollenaar is geworden. Kleinere mensen hebben soms de neiging, om wat zij aan lengte te kort komen te compenseren met carrière, macht, geld. Daar zit iets tragisch in: Zacheüs is niet alleen tollenaar geworden uit eigen wil, hij is ook tot tollenaar gemaakt door de omstandigheden, door zijn omgeving, die de kleine man geen kans gaf om op een andere manier groot te worden, tot zijn recht te komen. Het tollenaar zijn was voor hem een enige kans om hoger op te komen! En de maatschappij is in dat opzicht keihard. Het geeft je geen herkansing. Een keer een tollenaar, altijd een tollenaar. Een keer een boef, altijd een boef. Je hoort het ook wel van reclasseringsambtenaren, hoe moeilijk het is mensen die hun straf hebben uitgezeten te herplaatsen in de maatschappij. De mensen rondom Jezus laten ons het ook duidelijk horen:"Hij is bij een zondige man binnengegaan om er zijn intrek te nemen". Allemaal zo heel erg herkenbaar, ook in onze tijd. Hoe vaak wijzen wij niet met ons vingertje naar anderen, vooral allochtonen.

Daarom is onze geschiedenis, die ik vroeger als een spannend verhaal op Zondagsschool vertelde, toch eigenlijk een intens trieste geschiedenis: het is het leven van onze maatschappij, van onze omgang met elkaar ten voeten uit, leven van haat en nijd en elkaar geen ruimte gunnen. Maar God zij dank blijft het net daarbij. Jezus komt voorbij en zal het straks aan de mensen uitleggen (vs.10): "Want de Zoon des mensen is gekomen om de verlorene te zoeken en te redden." De verlorene: Zacheüs? Ja, hij! Hij is de verloren zoon, al zit hij niet met een hongerige maag bij de varkenstrog, maar aan een rijk beladen dis in een weelderige villa. Ja, maar voorlopig zit hij daar toch ook in die boom, zijn schuilhut. Hij speelt daar verstoppertje, tekenend voor zijn eenzaamheid en toch grote armoede. Hij is benieuwd naar Jezus. Wat verwachtte hij van die man? Had die man soms iets, wat hij niet had? Wist Zacheüs dan al van zijn grote armoede, wat hij miste in zijn leven? Was er bij hem dan al een verlangen ontstaan naar een totaal ander leven? Hij keek naar Jezus. Of was het misschien Jezus, die naar hem keek? Had Jezus hem het eerst gezien, net als toen bij Natanaël, tot wie Jezus gezegd had: "Eer Filippus u riep, zag ik u onder de vijgenboom."

Zou het niet zó geweest zijn? Dat Jezus hem had getrokken en de boom had ingestuurd, om hem tot geloof te brengen? Opdat aan hem vervuld zou worden, waartoe de Heer hier op aarde gekomen was: om de verlorene te zoeken en te redden! Jezus blijft staan onder de boom en zegt: "Zacheüs, kom vlug naar beneden, want heden moet Ik in uw huis vertoeven." De rollen zijn nu omgedraaid: de kijker wordt de bekekene, de gezochte blijkt de zoeker, de verborgene in zijn schuilhut wordt ontdekt. Jezus roept Zacheüs uit zijn schuilplaats, net als Hij later zou doen met Lazarus uit zijn graf: "kom uit...."

Zou Hij zó ook ons niet roepen uit onze veilig om ons heen opgetrokken schuilplaatsen, die toch zullen blijken slechts plaatsen van de dood te zijn: Kom uit, uit uw vesting, uw graf... kom tevoorschijn achter uw mooie façade! "Ik wil vandaag bij u binnenkomen!"

Zo wordt de toeschouwer Zacheüs gastheer en huisgenoot van de Heer. Opeens heeft hij, die geen vrienden had, een Vriend. Welk een vriend is onze Jezus!

"Vandaag is aan dit huis redding geschonken." Daar loopt het tenslotte op uit!

Het Hebreeuwse woord voor "redding"heeft als oerbetekenis "ruim, wijd zijn". Precies dat ervaart Zacheüs! Hij stond met de rug tegen de muur, was in zich zelf opgesloten, in zijn eigen gouden kooi. Maar nu krijgt hij lucht, bewegings- en handelingsvrijheid. De wereld gaat voor hem open. Hij krijgt een Vriend en wordt later in de vriendenkring opgenomen. Jezus komt in zijn huis en geeft aan de tollenaar levensruimte, een geheel nieuwe levenskans! Om te kunnen leven hebben we dat nodig. Medemensen, een Gemeente, vrienden. Zacheüs werd als tollenaar doodgezwegen, maar nu spreekt Jezus tot hem en mag de verloren mens tot nieuw leven komen.

En dat nieuwe leven wordt direct zichtbaar: omdat Jezus Zich tot Zijn naaste maakt, wordt Zacheüs de naaste van de armen: "Zie, de helft van mijn bezit, Here, geef ik aan de armen... en indien ik iemand iets heb afgeperst, ik vergoed het viervoudig!"

Er wordt verder niets meer over Zacheüs verteld in het Evangelie. Er staat niet bij, dat hij zijn beroep moest opgeven. Ook Johannes de Doper heeft tot de tollenaren, die bij hem kwamen met de vraag: En wat moeten wij doen? Niet gezegd, dat zij hun tollenaarberoep moesten opgeven. Maar hij zei, dat zij eerlijk moesten zijn en niet meer moesten vragen dan hun toekwam. Blijkbaar is het niet altijd zo als bij Levi de tollenaar, die bij zijn tolhuis werd weggeroepen om Jezus te volgen, of zoals bij de rijke jongeling, tot wie Jezus zei: "Indien gij niet al uw bezit verkoopt en Mij volgt, zult gij het Koninkrijk niet kunnen beërven." Radicale ommekeer in je leven hoeft niet altijd te betekenen een radicale breuk met alles, wat je tot dusver deed en had. Een breuk met je werk bijvoorbeeld of met je huwelijkspartner. Tot de één zegt Jezus: geef alles op, Tot de ander: bewaar het, maar ga er wel anders mee om: met je geld, je werk, je huwelijk. Wie van ons zou in de praktijk ook zijn oude bestaan kunnen opgeven? Zo maar er uit te stappen: uit je werk, je vriendenkring, je huwelijk? Wel zouden we dat alles eens kritisch moeten bezien in het licht van het Evangelie van vandaag: in het licht van de redding, dat "in vrijheid stellen" betekent. Geven we anderen ruimte of gebruiken we de mensen alleen maar voor eigen belang, tot eer en macht voor ons zelf, tot eigen roem, zoals Zacheüs eerst deed? Hoeveel relaties op het werk en in het huwelijk lopen daar niet op stuk?

Jezus zoekt ook ons om te redden wat verloren was. Zacheüs mag een nieuw mens worden. Het oude heeft afgedaan, is vergeven. Hij kan wel nooit meer goed maken, wat hij aan de mensen misdaan heeft, ook al geeft hij de helft van zijn bezit. Hij hoeft dat ook niet. Hij mag van genade leven.

Zo gebeurt het ook ons, als Jezus bij ons voorbij komt. "Kom af van je voetstuk, kom tevoorschijn uit je schuilplaats, Ik wil vandaag bij je thuis komen om je te redden, vrij te maken van alle knellende banden die je vasthouden, Ik wil je in de ruimte stellen van Gods heerlijkheid."

Wij hebben Zacheüs op ons geweten net als hij óns. Hij heeft nu mensen nodig, die bij hem aan tafel komen zitten en hem op zijn nieuwe levensweg begeleiden. Redden van tollenaars en zelf ook gered worden is niet alleen een persoonlijk gebeuren, een persoonlijke ommekeer in je leven, maar het is ook een sociaal gebeuren: anderen laten delen in je leven, anderen redden, in de vrijheid stellen, een nieuw leven geven.

Laat ons dat vanmorgen gezegd zijn!

Amen.

Copyright 2013 Pastorale Kroes