Herinneringen aan een oude vriend


Barendrecht, 9.10.98

Beste Jo,

Jo OreelWat hoor ik nou toch over jou? Lig jij in het ziekenhuis? Dat is me toch ook wat! Ik had maandagavond en dinsdagavond en woensdagavond gebeld, steeds geen gehoor. Tilly zei eerst: Jo gaat vroeg naar bed. Dus ik wat vroeger bellen, maar niks hoor. Ik begreep toen dat er iets aan de hand moest zijn, want veel uit huis gaan is er bij jou al lang niet meer bij hè? Daarom Ina en Chiel gebeld, en toen hoorde ik het hele verhaal van die dikke hand en pols. Een mens kan toch soms wat mankeren hé? Dat kun jij er net niet bij hebben, maar ja, daar wordt niet naar gevraagd.

Hoe gaat het nu met je? Zijn ze er al achter hoe ’t komt en wat ’t is? Heeft het iets met de medicijnen te maken soms? Het zal toch geen reuma zijn? Wel goed natuurlijk, dat de doktoren je weer eens goed nakijken en de medicijnen op elkaar afstemmen.

Wij zijn weer tien dagen thuis, na drie mooie weken in het zonnige zuiden. Ja, want toen scheen de zon nog, gelukkig. We zijn met Adrie en Lucy en de beide kinderen Lois en Robin eerst twee weken in zuid Zwitserland geweest, in het Molenhuis boven Sion waar wij al jaar en dag naar toe gaan, en daarna nog vier dagen in het Zwarte Woud, in een hotel. We hebben erg genoten, vooral van de kleine mannen, dat begrijp je. Loisje is al een hele meid, ze wordt volgende week (de 14e) 3 jaar. En Robin is 10 maanden, kruipt over de vloer, pakt van alles, richt zich op en gaat al staan en het zal niet lang duren of hij loopt. En dat terwijl hij op 2 december pas 1 jaar oud wordt!

Bij Alice en de kleine mannen gaat het ook prima. Salim is in juli 6 geworden en is nu naar de “grote school” gegaan. Hij doet erg z’n best om woordjes te “ontcijferen”, zittend achter het oude bureau van Alice. Verder kijkt hij graag naar Walt Disney films. Zo langzamerhand heeft hij de hele collectie (mede door Opa bij elkaar gespaard). Het zijn ook zulke leuke broertjes, ze spelen veel samen, met het ridderkasteel, de vele auto’s van Chadi en de robots van Salim. Die kinderen hebben wat een speelgoed! Wij speelden vroeger met afgebrande luciferhoutjes en oude luciferdoosjes!

Philippien belde eergisteren enthousiast op: Dieni loopt! Nou, dat is me wat! Ze zat er al weken tegen aan, maar dorst steeds niet stapjes “los” te doen, en nu is het dan toch eindelijk zo ver! Echt een feest. Het is zo’n schat van een meisje. Wij zien haar ook elke week, want we moeten verschillende dagen in de week oppassen, en dan poetst Tilly gelijk even het huis! Ze zijn verhuisd van Zoetermeer naar Bleiswijk en hebben nu een eigen woning met een grote zolderruimte voor Bart z’n spullen (computer en zo) en een leuke tuin voor Dieni (en de was). Bart heeft het goed geschoten in Woerden, hij werkt daar bij een software-bedrijf. Hij is daar ongediplomeerd binnen gekomen en haalt nu het ene diploma na het andere. Leuk he?

Met Majid gaat het ook goed. Hij heeft weliswaar geen vaste baan, maar kan toch aardig wat bijschnabbelen. En hij zorgt goed voor de kinderen, is een echte vader.

Zo, nu weet je weer wat over ons leven. Wij hebben het best druk met al die kleine mannen, maar daarvoor zijn we ook naar hier gekomen, ja toch? Het wonen in Barendrecht bevalt ons goed. Natuurlijk, het heeft ook zijn schaduwkanten. En soms denken we met heimwee aan ons mooie huis in Wilhelminadorp. Maar ja, niets op aarde is blijvend, alles vergaat, ook de mens die we zelf zijn. Het komt er op aan om van elke dag iets te maken en de toekomst vrijuit in de ogen te zien. “Wat de toekomst brengen moge, mij geleidt des Heren hand.”

Daar mag jij ook op vertrouwen, Jo. We hopen, dat je weer gauw thuis zult mogen komen, in je eigen zo vertrouwde omgeving. Zodra we in de buurt komen, zoeken we je op. Volgend jaar mag ik weer in Wilhelminadorp komen preken, dan kunnen we elkaar weer regelmatiger zien, gelukkig.

Heel veel groeten en sterkte van Tilly en mij,

Flip.

 

Crematie Jo Oreel op Vrijdag 6 November 1998

Een innemende vriend is van ons heengegaan.

Hij had de harten van velen gestolen. Hij was jullie broer en zwager, jullie oom, jullie vriend. Hij was gewoon “Jo”, zoals we hem allemaal gekend hebben. Je kon altijd bij hem terecht en hij was nooit te beroerd om iets voor je te doen, iets aan je te geven. Hij kon eigenlijk alles missen. Voor zichzelf was hij niet veeleisend, integendeel, hij gaf liever weg. Zo’n man was hij!

We zullen hem daarom allemaal erg missen. Want zulke mensen zijn er niet veel. Je komt ze maar zelden tegen. We zullen hem missen, zijn vriendelijk gezicht, zijn zorgende handen, zijn warmte en meeleven.

Johannes OreelHij was de hoeder van het ouderlijk huis. Als je bij hem kwam, dan was je thuis. Het was er altijd nog net als -zeg maar- 20 jaar geleden. Met het enige verschil, dat vader en moeder er nu niet meer bij waren. Toen, 20 jaar geleden, heb ik hen voor het eerst ontmoet, bij de kennismakingsronde als predikant van de Gemeente te Wilhelminadorp. Een hecht drietal, Brechtje, Johannes en Jo. Het was van meet af aan goed toeven daar. Aan het Zeeuws moest je even wennen, maar de hartelijkheid en warmte straalde je tegen. Af en toe met een kritische noot van vaders kant, als het over de kerk ging, maar dat werd direct door moeder Brechtje gecorrigeerd. En Jo? Die deed er het zwijgen toe. Hij dacht zo het zijne ervan, maar zei niets. Zo was hij. Hij had een hekel aan moeilijkheden. Een hard woord kwam niet van zijn lippen. Moeder overleed, de ziel van het gezin, en de beide mannen bleven achter. Maar gelukkig niet eenzaam en verloren. Zij gaven steun aan elkaar en het leven ging gewoon verder. Huishoudelijke taken werden meer en meer door Jo overgenomen. En dat kon hij goed! En dochter Ina hield een oogje in het zeil en sprong zo nodig bij, steeds meer en meer.

Jo ging niet veel uit. Je moest hem eigenlijk het huis uittrekken. Na het overlijden van vader werd het er niet beter op. “Wat zou ik ergens anders doen? Laat mij maar thuis blijven! Daar heb ik m’n aard.” En dat had hij. De auto kwam nauwelijks meer van stal. Maar in de tuin was hij dikwijls te vinden. Hoe vaak heeft de telefoon bij ons niet geklonken: “Daar staat weer wat gereed”. En dan wist je wat je te doen stond: gauw naar Westhavendijk 80. Boontjes, sla, komkommers, kolen, wortelen en die lekkere zelfgemaakte zuurkool, alles stond op gezette tijden “gereed”. En onze vrieskast was welhaast te klein om het alles te bevatten. Maar wat was het gezellig! Wat was het leven toen goed.

Voor Jo, voor Vader, voor ons en vele anderen.

De laatste jaren had Jo geen lucht meer. Hij moest de tuin afbouwen, hoe erg hij het ook vond. En de pas nieuwe auto bleef op z’n plek. En Jo kwam aan de zuurstof. Een triest beeld voor wie hem opzocht. Maar hij sloeg er zich dapper doorheen, blij dat hij nog “thuis” kon blijven. Hij kreeg veel medicijnen, die nu en dan in het ziekenhuis moesten worden bijgesteld. Tot enkele weken geleden er weer een ziekenhuisopname kwam, die geen thuiskomst heeft gebracht. Tenminste niet naar de Westhavendijk. Ik geloof wel: een andere Thuiskomst, die bij God in Zijn hemelrijk. En ik denk, dat Jo daar ook vertrouwen in had. Je hoeft geen kerkmens te zijn om toch vertrouwen te hebben op de God van het Leven, die je Thuis haalt.

En daarom lees ik voor u de woorden van Psalm 23:

De Here is mijn herder, mij ontbreekt niets;
Hij doet mij nederliggen in grazige weiden;
Hij voert mij aan rustige wateren;
Hij verkwikt mijn ziel.
Hij leidt mij in de rechte sporen
om zijns naams wil.
Zelfs al ga ik door een dal van diepe duisternis, ik vrees geen kwaad,
want Gij zijt bij mij;
uw stok en uw staf, die vertroosten mij.
Gij richt voor mij een dis aan
voor de ogen van wie mij benauwen;
Gij zalft mijn hoofd met olie,
mijn beker vloeit over.
Ja, heil en goedertierenheid zullen mij volgen
al de dagen van mijn leven;
ik zal in het huis des heren verblijven
tot in lengte van dagen.”

God is voor Jo ook zo’n herder geweest, en daarom had Jo -denk ik- ook iets van een herder. Altijd zorgend. God heeft hem door duistere dalen heengeholpen. Ik denk aan het verlies van zijn werk, het verlies van zijn ouders, en tenslotte het verlies van zijn gezondheid. En God heeft voor hem de tafel aangericht. En zo kon ook Jo altijd gastvrij uitdelen. Hoeveel kopjes koffie zal hij niet hebben geschonken en hoeveel glaasjes zal hij niet hebben gevuld, tot aan de rand, want -zo zei hij- het bovenste is ook betaald.

In zovele herinneringen blijven we met Jo verbonden. Het was goed om hem als broer en oom en vriend te hebben. We hebben van hem kunnen leren en wat belangrijker is: van hem kunnen houden. En wat in liefde met elkaar is verbonden, vergaat nimmermeer. Zo zegt de apostel Paulus het in 1 Korinthe 13. Dat is ook onze eigen ervaring.

Ons leven gaat verder. Maar het zal toch anders zijn, zonder Jo. Het ouderlijk huis is er niet meer. De neven en nichten worden op 1 januari niet meer verwacht, om het Nieuwjaarscadeautje in ontvangst te nemen. Er is geen koffieuurtje meer op zondagochtend bij Jo. En er komt geen telefoontje meer met het zo vertrouwde geluid “Met Jo”.

We zijn dankbaar voor alles wat we in Jo hebben mogen ontvangen, en zijn naam zal nog dikwijls genoemd worden, dat is zeker.

Ondertussen mogen ook wij vol vertrouwen verder leven, want

“Waar de weg mij brengen moge,
aan des Vaders trouwe hand,
loop ik met gesloten ogen
naar het onbekende land.”

Gez.293 vs.4

Gebed 

In de stilte van dit afscheidsuur komen wij tot U, o God, om Jo Oreel aan U toe te vertrouwen. Wij bidden U of U verder voor hem zorgen wilt in het nieuwe leven dat hem wacht. En wij danken U voor alles, wat U ons in hem geschonken hebt. Zijn vriendschap en trouw in zovele dingen, zijn zorgzaamheid en hartelijkheid, te veel om op te noemen. Dank U, Vader, daarvoor. En wilt U nu met ons meegaan en ons begeleiden in de dingen die komen gaan. Geef ons uw kracht in het verlies, dat we te dragen hebben. En laat ons leven veilig bij U geborgen wezen.

Amen.

Share

Een reactie plaatsen

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *