Luther XIX – De Boerenopstand


Het jaar 1525 was voor Luther aan de ene kant een mooi jaar, vanwege zijn huwelijk met Katarina van Bora, aan de andere kant een rampjaar, vanwege de Boerenopstand. Om zijn houding in die boerenkwestie is Luther later vaak verguisd. Hij heeft de boeren te weinig support gegeven, hij heeft ze eigenlijk laten vallen. Toch moeten we ons afvragen: kon hij wel anders?

Boerenopstand

Wat was er aan de hand? De boeren in Duitsland en Oostenrijk waren in opstand gekomen tegen hun overheden (de landbezitters, de ridderlijke stand). Waarom? Dat laten zij horen in de beroemde “12 artikelen van Zwaben”: men wil in de gemeenten de predikant zelf kiezen en ook ontslaan, als hij zich onbehoorlijk gedraagt; men is bereid de tienden van de oogst te betalen, maar vraagt dat die mede de armen ten goede komen; men wil lijfeigenschap en horigheid afgeschaft zien; men vraagt herstel van oude rechten, wat betreft schieten van wild en sprokkelen van hout uit de gemeentebossen; men verlangt verlaging van de pacht, die te zwaar drukt, en herstel van de oude gemeenteweiden, en men verklaart zich bereid om zich te laten beleren, indien het Woord van God daartoe aanleiding geeft. Het gaat hier dus duidelijk om sociale misstanden. Luther was het daar aanvankelijk best mee eens. Hij schreef daarvoor een pamflet: “Ermahung zum Frieden”. Het was vooral gericht aan de heersende stand. Hij zegt daarin zelfs: Niet de boeren, maar God Zelf komt in opstand tegen het onrecht. Helaas bereikten de reacties van Luther de boeren pas, toen de opstand al zeer snel om zich heen gegrepen had en verschrikkelijke vormen had aangenomen. Er vonden moordpartijen plaats en kastelen werden afgebrand. Dat was een gruwel in Luthers oog! Daardoor nam hij afstand van de boeren en schreef zelfs een stuk tot vermaning: “Wider die räuberischen und mörderischen Bauern”. De opstand werd in veel bloed gesmoord. Wat de boeren eerst hadden gedaan, werd hun nu ook zelf aangedaan. Na de slag van Frankenhausen, waar de boeren het onderspit moesten delven tegen de veel sterkere riddermacht, keerde het oude regiem in nog veel sterkere mate terug. Daar heeft Luther erg onder geleden. Te meer, daar een persoonlijke vriend van hem, een oude medestander, daarbij betrokken was: Thomas Münzer.

Münzer was predikant in Wittenberg geworden, maar was eerst predikant geweest in Zwickau. Daar was hij onder invloed gekomen van de Zwickauer profeten, die op spiritualistische manier de mensen tot bekering opriepen. Het ging om het inwendige Woord, de weg van de Geest, die de mens bracht aan de voet van het kruis. Dat innerlijke geloof was kenmerk van de uitverkiezing. De uitverkorenen hadden alleen te maken met de weg naar God. De wereld stond daar buiten! Het waren echte “Schwärmers” (dwepers). Toen Münzer met deze geloofsinstelling leiding ging geven aan de boeren, moest Luther wel afstand nemen. Want het ging Luther juist wel om de wereld en om de goede verhoudingen in de wereld. Münzer kende het volk het recht van opstand toe, wat Luther nooit zou doen. Hij immers ging uit van gehoorzaamheid aan de overheid. Hij beriep zich daartoe op Rom.13, 1vv en 1 Petrus 2, 12vv. (gehoorzaamheid van de Christen aan de staat). Bovendien ging hij uit van het Oudtestamentische principe: “Wie des mensen bloed vergiet, diens bloed zal  door de mens vergoten worden” (Gen.9, 6). Dan komen ook andere teksten in het vizier:

Bergrede Matth. 5, 38-41:
“Gij hebt gehoord, dat er gezegd is: oog om oog, tand om tand.
Maar Ik zeg u, de boze niet te weerstaan, doch wie u een slag geeft
op de rechterwang, keer hem ook de andere toe; en wil iemand met
u rechten en uw hemd nemen, laat hem ook uw mantel.”

 Rom. 12, 19:
“Wreekt uzelf niet, geliefden, maar laat plaats voor de toorn,
want er staat geschreven: Mij komt de wraak toe, Ik zal het vergelden,
spreekt de Here.”

 Petrus 3, 9:
“en vergeldt geen kwaad met kwaad of laster met laster, maar zegent integendeel.”

Luther concludeerde daaruit, dat het de Christen niet gegeven was het wereldlijke zwaard te dragen. Zo kwam hij tot een twee-rijken-leer: het Rijk van God en het rijk van de wereld. Hij zegt het zó: “Deshalb hat Gott zwei Regimente verordnet, das geistliche, welches durch den Heiligen Geist Christen und fromme Leute macht, unter Chistus, -und das weltliche, welches den Unchristen und Bösen wehrt.”  We hebben het wereldlijke regiment gewoon nodig. Dat de Schwärmer dat niet hebben ingezien, is hun grootste fout geweest!

Het is prachtig om naar een “geestelijk rijk” te streven, maar voorlopig moeten we nog met beide benen op de grond blijven staan. Eens zal het anders worden…

Share

Een reactie plaatsen

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

3 gedachten over “Luther XIX – De Boerenopstand

  • A. A.

    M. Luther was gewoon een raddraaier.Hij had die veranderingen nooit teweeg moeten brengen.Dan was er veel minder ellende, enz. in de wereld (van vandaag ). Niets is volmaakt in deze wereld!!!

  • E.D.V.

    Beste A.A.
    ik kan uw redenering absoluut niet verstaan,
    had u dan liever in een tijd geleefd waar men het moest stellen met een wraakzuchtige god en een totale censuur vanwege de kerk? u zou maar al te snel ondervinden dat al onze moderne gemakken maar konden worden verwezenlijkt door een distantiering van de absolute doctrine van een omnipotente kerk.

    zonder hem was u nu een negligente analfabeet die niets anders deed dan religieuze riten uitvoeren en aflaten betalen ten heile van uw ziel. Niet bepaald mijn droomwereld, maar elk wat wils veronderstel ik.