Ik raad u, Mijn oog is op u


Psalm 32, 8
“Ik leer en onderwijs u aangaande de weg, die gij moet gaan;
Ik raad u, Mijn oog is op u.”

zonsondergang

Het is zonder meer duidelijk, dat onze tekst een belofte inhoudt. Maar van wie die belofte is, is niet zonder meer duidelijk. De Psalm is daarvoor te wisselend. Hoewel hij een geheel vormt, is de gedachtegang niet zonder sprongen… Eerst spreekt de psalmdichter de mens zalig, wiens zonden zijn vergeven. Vervolgens deelt hij zijn eigen ervaring mee, die hem deze belofte op de lippen brengt. Toen hij namelijk zijn zonden verzweeg en er mee voortliep, drukte de hand van de Heer zwaar op hem, zodat hij naar ziel en lichaam wegkwijnde. Maar toen kwam er een heerlijke ommekeer: hij beleed zijn zonden, en toen hij dat deed, merkte hij direct daarop dat zij vergeven werden! Dat was een geweldige ervaring, die hij snel aan de anderen wilde meedelen: “Daarom bidde iedere vrome tot U, ten tijde dat Gij U laat vinden. Gij zijt mij een verberging, Gij bewaart mij voor benauwdheid, Gij omringt mij met jubelzangen en bevrijding.” Tenslotte spreekt hij de belofte van onze tekst: “Ik leer en onderwijs u aangaande de weg, die gij gaan moet; Ik raad u, Mijn oog is op u.”

Zo stellen wij nogmaals de vraag: wie geeft deze belofte? Sommige uitleggers hebben aan David zelf gedacht, de schrijver van deze psalm. Dan is het de belofte van de koning, die door diepe nood heen de rechte weg geleerd heeft om van zijn zonden verlost te worden en die in deze geest ook zijn volk op de rechte weg wil leiden. Dat is ongetwijfeld een mooie gedachte, zeker ook voor ons, die deel uit maken van een democratische monarchie, met een koning aan het hoofd.

En toch ligt er in onze tekst iets, dat in zijn volstrektheid moeilijk van David kan gelden, namelijk de slotwoorden: “Mijn oog is op u.” Deze woorden immers krijgen dan pas echt betekenis, troostvolle betekenis, wanneer wij aan God Zelf denken. Wanneer HIJ deze woorden gesproken heeft, gaat de psalm nog veel helderder lichten en wordt hij veel rijker en dieper dan wanneer het alleen woorden zijn uit de mond van David. We mogen aannemen, dat David hier de woorden van God herhaalt, woorden die hem zelf tot zo diepe troost zijn geweest. Wij denken nog even terug aan de levensgeschiedenis van David, heel die droeve periode in zijn leven, toen hij Bathseba aan haar wettige man Uria ontnomen had en Uria aan het front de dood had ingejaagd. Hij was op een verschrikkelijke dwaalweg geraakt, en wat zou er van hem terecht zijn gekomen, als de Heer Zich niet over hem ontfermd had? God wil toch Zijn knecht op de rechte weg zien! Daarom neemt Hij Zelf ter hand, wat David niet tot stand kon brengen, Hij doet Zijn hart nog verder open en Hij vergeeft… zó, dat de weldaad van de schuldvergeving gepaard gaat met de weldaad van de leiding op de rechte weg. De oude theologen zeiden dan; de rechtvaardiging gaat hand in hand met de heiligmaking. “Ik leer en onderwijs u aangaande de weg, die gij gaan moet; ik raad u, Mijn oog is op u.”

Dat is de belofte van God, die David gelukkig heeft gemaakt, die hem heeft behouden bij zijn koninklijke opdracht om zijn volk in de “vreze des Heren” te leiden. Dat is ook de belofte van God, die ons wil leiden in de woeligheid van ons bestaan. Hij vergeeft ons onze zonden en leidt ons in Zijn rechte sporen. Hij zendt ons daartoe Zijn Zoon Jezus Christus. Hij is de Weg, de Waarheid en het Leven. Hij geeft Zijn leven voor ons aan het kruis, staat op uit de dood en schenkt ons Zijn Geest. Wat een genade is ons geworden!
God voorziet niet maar half in onze nood, maar Hij doet het helemaal. Hij bevrijdt ons niet alleen van de schuld der zonde, maar Hij wil ons ook leiden in alle gerechtigheid, om te doen wat naar Zijn wil is! Hij Zelf zal ons leven omzetten. Maar dan is de uitkomst ook gewaarborgd! Hij weet immers, hoe onze weg moet lopen. En Hij heeft er ook alles voor gegeven, opdat wij die weg zouden kunnen bewandelen. Hij Zelf, Jezus Christus, heeft die weg voor ons gelopen tot het bittere einde toe. En daarmee heeft Hij Zich aan ons gegeven, opdat wij die weg in al zijn zwaarte niet meer zouden hoeven lopen, maar alleen maar Hem in Zijn voetspoor hoeven te volgen!

“Ik leer en onderwijs u aangaande de weg, die gij gaan moet.” Dat is het grote wonder in Gods omgang met ons mensen: dat Hij ons niet alleen rechtvaardigt, ons de schuld vergeeft en neemt zoals wijn zijn, maar ons ook “heilig” maakt, dus maakt tot wat wij NIET zijn. Hoe weinig wij er voor ons gevoel ook van terecht brengen, van dat Christus’ geheiligde leven, nochtans ziet God ons als in Christus geheiligd aan!
Tenslotte: als God ons de weg leert, laten we dan ook luisteren!

Amen.

Share

Een reactie plaatsen

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *