Hendrikje


HendrikjeSinds kort woont ze bij ons. Ze heet Hendrikje en is pril, de stem heb ik nog niet gehoord. Haar bestaan heeft ze te denken aan een verrassend bezoek.

Op een hete julidag kwam een goede vriendin een dagje op bezoek. Al pratend droeg ze een krat vol spullen naar de tuin en vertelde opgewekt dat wij samen die dag zouden gaan klussen. Opkomende weerzin onderdrukte ik manmoedig. Onder de koffie leidde ze het karwei in. Alles draaide om Pretex, een zelfhardend materiaal, en oude T-shirts. Ondertussen spreidde ze zorgvuldig een plastic kleed over de tuintafel en diepte uit het krat het één na het ander op. Toen begon het spektakel. We maakten van elektriciteitsdraad een figuurtje, omwikkelden het met folie, brachten vormen aan en verstevigden het met schildersplakband. Een piepschuim balletje werd bovenop geplaatst, zowaar het leek een mensje. En toen moest ik knippen in een meegebracht T-shirt. En dat voelde raar, het was haast of ik in de drager er van knipte. Treuzelen was er niet bij. Onder aanvuren van de vriendin haalde ik de repen door het grijze goedje in de emmer en omwikkelde armpjes en beentjes. En of het nog niet genoeg was drapeerden we samen grote glibberige lappen om het lijfje. Griezelend drukte ik nog een pluk kleffe poetskatoen op het hoofdje en zie, ze was er. We dronken thee, Hendrikje kwam langzaam op verhaal, een zwoele wind droogde haar. Willem sloeg alles argwanend gade, schoot toen voorbij in een roodoranje flits.

De vriendin vertrok en ik droeg Hendrikje naar het prieel. ‘Tot morgen’, beloofde ik.

Ze mocht van mij een halve week drogen, maar toen pakte ik een kwast en kleurde haar met antiek koper. Na een paar dagen pakte ik opnieuw de kwast en kreeg ze weer een laagje. En weer mocht ze bijkomen. Tot slot werd ze bewerkt met blanke lak. Ze leek te protesteren.

Maar toen was ze klaar en nam ik haar mee naar een stille plek tussen het groen. Vanaf een tuinbank sloeg ik haar gade en verwonderde me hoe iets uit vrijwel niets kon ontstaan. Hendrikje was op haar gemak, sterker nog, ze leek één te worden met de natuur. Het was alsof ze elkaar vanuit die éénheid versterkten in schoonheid. Zoals mensen die van elkaar houden. Willem sprong naast me op de bank en zo zaten wij drietjes samen, in onuitgesproken saamhorigheid. De wind ruiste zacht als zong ze een welkomstlied voor die frêle bronzen gestalte en die beide anderen. Vaag kwamen woorden van dichteres Judith Herzberg boven drijven:

Steek op noordenwind
en waai door mijn tuin
myrrhe, balsem, wierookboom
en jij ook zuidenwind
dan wordt alles rijp.

Sinds kort staat Hendrikje in een ruime nis in de hal. Wanneer ik ’s morgens de trap afloop is zij de eerste die me woordloos begroet. En schijnt de zon, dan streelt het zonlicht haar en doet haar glanzen van genoegen…

Aly Brug

Share

Een reactie plaatsen

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *