|
||||||||||||||||
|
De KartuizersIn de franse Alpen bij Grenoble licht het dal van de Chartreuse, te midden van een bergketen, die ook Chartreuse wordt genoemd. Daar diep in het dal ligt een groot klooster: la grande Chartreuse. Van dit woord "Chartreuse" komt ons "Kartuizer". De monniken van dit klooster woorden dan ook "Kartuizers" genoemd.
De kartuizer- gemeenschappen bestaan uit monniken en broeders. De broeders wonen apart. Zij doen mee met de diensten en gebeden, maar hebben verder niet zo'n contemplatief leven als de monniken, die de eigenlijk de hele dag bidden. De broeders zorgen voor de tuin en het schoonhouden en het eten, enfin de hele huishouding. De monniken leven in hun cellen, dat zijn eigenlijk kluizen zoals bij een kluizenaar, in totale afzondering van de wereld. Zo'n kluis zou je een klein woninkje kunnen noemen met een boven- en benedenverdieping. Het belangrijkste vertrek is het kubikulum, waar de monnik bidt en studeert en mediteert. Er is een voorportaal, het zogenaamde Ave Maria, omdat er een beeld van Maria staat, waarvoor iedereen die er binnen komt moet knielen en Ave Maria moet zeggen. Beneden is er dan nog een werkvertrek, waar de monnik zich wat kan ontspannen met hout te zagen voor zijn kacheltje en creatieve bezigheden zoals houtdraai- en snijwerk, alles natuurlijk met de hand. De monnik heeft ook nog een eigen tuintje.
Er is in de kluis, ook wel cel genoemd, een schuifluikje, waardoor de monnik elke dag zijn eten krijgt bediend door de broeders van de keuken. Het eten is heel matig, helemaal geen vlees en een keer in de week op water en brood. De monniken worden daardoor veelal heel oud: 80, 90 jaar. Drie maal per dag gaan zij gezamenlijk naar de kerk: s'-Morgens voor de kloostermis, 's-avonds voor het vesper en 's nachts voor de metten. Deze laatsten beginnen om middernacht en duren twee a drie uur. De monnik moet het dus met een gedeelde slaap doen, eigenlijk twee hazenslaapjes. De monniken zijn gekleed in een wit habijt met witte gordel, scapulier en kap. Tenslotte: waarom kiezen zij dit leven? Zij worden gedreven zich geheel aan God te wijden, en daarom niet de wereld te zoeken, maar de woestijn van hun eigen ziel. Vanuit de Bijbelse gedachte, dat God gevonden wordt in de eenzaamheid, in de woestijn... Denk aan Johannes de Doper en Elia en aan Jezus Zelf, die ook bij tijd en wijle de eenzaamheid opzocht om daar te bidden. Laatst hebben we dit nog herdacht op Goede Vrijdag: de hof van Getsemane. |
|
||||||||||||||
|
|
|
|
||||||||||||||