|
||||||||||||||||
|
Troost van God
Alsof je in het geloof geen verdriet hoeft te hebben! Een heel ongelukkige tegenstelling. Rouw en geloof kun je zo niet tegenover elkaar plaatsen. Dat bedoelt onze tekst ook helemaal niet. Het gaat daar niet om rouwen en niet rouwen (=geloven). Maar de schrijver spreekt over "rouwen in de hoop en rouwen zonder hoop". Als wij rouwen, dan doen wij dat in de hoop op de opstanding! 't Is niet hopeloos, maar daarom niet minder erg. Je lijdt er net zo onder, het is hartverscheurend. Dat dát zo is, wordt in de Bijbel ook nergens ontkend. Integendeel. Jezus rouwde om zijn vriend Lazarus en Hij weende over Jeruzalem. En hoor hoe Job bitter klaagt en lees de Klaagliederen van Jeremia. Weeklagen over een verlies. God zelfs verwijten maken. Dat alles is niet on-Bijbels, maar juist echt Bijbels. De Psalmen en de profeten staan er vol van. Dat alles is zo heel menselijk. Net zoals bij ons. Tegen wie richt zich de klacht in ons eigen leven? Vaak reageren wij af op degenen, die naast ons staan: man, vrouw, kinderen, ouders... Zo reageren de gelovigen af op hun God. Zo erg, dat ze van God helemaal niets meer willen weten. Zij zijn hun geloof kwijt, de God op Wie zij altijd zo gesteund hebben. Ja, dat is ook een manier van afreageren. Psychologisch heel begrijpelijk. 't Zou eerder gek zijn als dat anders was. Zulke gevoelens van bitterheid, agressie, ontkenning en van-God-verlaten-zijn passen echt bij het rouwproces. We hebben vanuit de Griekse cultuur meegekregen, dat je je gevoelens beheersen moet. De zgn. Stoïcijnse levenshouding. In alles matigheid en beheersing. En dat speelt ons vaak parten bij de rouwverwerking. Ons is altijd geleerd dat je flink moet zijn. En dat hoor je dan ook wel eens in een situatie van rouw en verdriet: "Hij (zij) is nog zo flink!" Het zou beter zijn, wanneer een verdrietig mens zich niet zo flink hield, maar het verdriet kon laten zien. Gelovige mensen moeten vanuit de Bijbel opnieuw leren, wat het betekent rouw te dragen en in rouw elkaar troostend nabij te zijn. We hebben geen klaagzangen meer in de kerk, jammer eigenlijk. Maar we hebben nog wel tranen, die we mee kunnen vergieten met degenen die lijden aan een groot verlies. Condoleren betekent "meelijden". Met de ander bewogen zijn, de diepte ingaan. En dat kan soms een hele moeilijke en lange weg zijn. De diepste troost mag je van God verlangen. Daarom mag een mens ook zijn klacht tegen God uiten: "Wat doet u nu met me? Waaraan heb ik dat nou verdiend?" Dat is geen teken van ongeloof, maar juist van geloof! Want het laat zien, dat je een relatie met God hebt. Soms moet je met Hem vechten net als Jacob bij de Jabbok. Maar de hoop overwint: dat niets ons kan scheiden van de liefde Gods in Jezus Christus. Het is die hoop, die de verdrietige mens troost geeft en aan de menselijke troosters de kracht om vol te houden.
|
|
||||||||||||||
|
|
|
|
||||||||||||||