|
||||||||||||||||
|
En één van hen keerde terug"Toen zeide de here tot mozes: wat roept gij zo luid tot mij?
In Israël was dat toen ook zo. De Israëlieten waren zojuist ontkomen aan de slavernij in Egypte, waar ze vierhonderd jaar hadden gezucht. Toen kwamen ze aan de Schelfzee. En daar stonden ze dan voor een moeilijk dilemma: aan de ene kant werden ze nagezeten door de troepen van de koning van Egypte, aan de andere kant was er het donkere water van de Schelfzee. Het een zou betekenen: de dood nu of straks in de slavernij, terwijl het andere zou betekenen een wisse dood direct. Is het dan niet een beetje raar van de Heer, dat Hij zegt: waarom roepen jullie toch zo hard? De Heer kon toch beter dan wie ook zien, dat die mensen eigenlijk geen keus hadden aan de dood te ontkomen? Zij waren net als die tien melaatsen, die hun stem verhieven en zeiden: Jezus, Meester, heb medelijden met ons! Ook die hadden geen andere keus, beroerd als ze er aan toe waren. En nu komt het vreemde in die oude geschiedenis: blijkbaar is God het er niet mee eens, dat men zo luid zijn nood klaagt. Men moet niet zo gauw gaan jeremiëren! Dit betekent natuurlijk niet, dat we niet met onze moeilijkheden naar de Here God zouden mogen gaan. Hij is hier in ons verhaal zo dicht bij de mensen, dat het gek zou zijn geweest, als ze Hem niet aangeroepen hadden. En bij Jezus is dat ook zo: de melaatsen wisten dat Hij naar hen zou luisteren, Hij was hun enige kans. Jes.53 zegt dit zo treffend: in al hun benauwdheden was ook Hij benauwd. Zo dicht staat God bij ons. Gemeente, onze benauwdheden, onze moeiten en zorgen, kunnen zeer uiteenlopen. Bij de één zullen de klachten van lichamelijke aard zijn, terwijl een ander meer op geestelijk of psychisch terrein met problemen te maken heeft. Bijvoorbeeld in het huwelijksleven of in het gezin of op het werk. In dit alles zien we misschien geen enkele uitweg meer. Dan mogen we roepen, ons richten naar boven, naar God. Hij heeft toch om ons te helpen in onze ellende, zelf het meest onmogelijke op Zich genomen. Hij heeft Zijn Zoon ons gegeven om ons te bevrijden van alles wat ons kan benauwen. Dat uitzicht hadden de Israëlieten voor de Schelfzee nog niet. En ook wij zien vaak alleen maar de nare omstandigheden van het ogenblik. Nu mogen we niet verwachten, dat die moeilijkheden meteen verdwenen zijn, als we de blik naar Boven richten. Wel kunnen we er van uitgaan, dat we dan een nieuw perspectief aan ons zware bestaan zien toegevoegd. We kunnen het weer aan! We zien na onze moeilijkheden toch reeds de andere oever van de Schelfzee, die voor ons ligt. Nu zitten we wellicht nog volop in de ellende, maar we weten dat in het verschiet een land ons wacht van louter licht. Daar gaat nooit de zon van Gods liefde onder. Maar nu, op dit moment, zijn we zover nog niet. We voeren nog de harde strijd om het bestaan. Achter ons komen de Egyptenaren en voor ons ligt de Schelfzee. We hebben niet veel keus, we kunnen eigenlijk geen kant uit. We kunnen het er niet levend afbrengen. Maar we moeten goed weten, met de Israëlieten, dat er een God in de hemel is, Die ook op aarde handelen kan. Zowel met Israëlieten als ook met Egyptenaren. Van hoe groot belang is dit niet, nu wij wereldwijd door hetzelfde probleem getroffen worden? Wij moeten weten en dat ook vasthouden, dat er een God in de hemel is, die zowel met Amerikanen en Europeanen als ook met Arabieren handelen kan, zowel met Christenen als met Moslims. Gemeente, dreiging kan van alle kanten op ons afkomen. Er staat niet in de Bijbel, dat God ons redt IN alle benauwdheden. We worden ook niet als bij toverslag verlost UIT onze moeiten. Misschien verandert er ogenschijnlijk helemaal niets. Toch hebben we IN onze smart de Heer als onze UIT- en TOEvlucht. In Zijn handen ligt ons hele leven veilig omsloten. Wij hebben het daarnet nog gezongen:
Wij zijn van de aarde vervreemd en ontheemd. Wij hebben hier geen blijvende stad, maar wij zijn op zoek naar de toekomstige, de stad van God. Heel de geschiedenis van het volk van Israël is een grote illustratie bij deze overbekende woorden. Het volk Israël leert ons, dat wij niet moeten blijven staren op de toestanden, waarin we op een gegeven moment verkeren. Als we dat zouden doen, dan zouden we ons gezichtsvermogen maar verliezen. Het moment kan ons natuurlijk heel erg bezig houden. Het valt soms lang niet mee om onze gedachten op iets anders te richten. Maar we mogen ons niet van de blik naar de toekomst afwenden. Het volk, dat uit Egypte was vrijgelaten, beleefde aan de oever van de Schelfzee een uiterst spannend moment. Aan alle kanten was men door de dood omgeven. Nergens was een ontsnappingsmogelijkheid zichtbaar. Maar dan komt het Woord van de Heer tot Mozes. God zegt niet: rechtsaf of linksaf, er is maar een mogelijkheid: vooruit! Geen weldenkend mens zou ooit zo'n advies durven geven. Er volgen echter nog een paar woorden. Mozes moet zijn staf over het water houden. Dan zal God daaraan Zijn wondermacht verbinden. Het kan heel wel mogelijk zijn, dat er in die gebieden plotseling zo'n wind opsteekt, dat het water als 't ware weggeblazen wordt en er een doorgang komt. Wellicht heeft God de natuurverschijnselen willen gebruiken om Zijn volk een doortocht te verlenen. Dit betekent in geen geval een ontkenning van het wonder. Dat wonder wordt er alleen maar groter door. De Here God wil de natuur gebruiken om de mens Zijn macht te leren kennen. Mozes had tot het volk gezegd: "De Heer zal voor u strijden!" Met zo 'n bondgenoot zijn wonderen te beleven. Van God kan een mens alles verwachten! Zelfs een uitweg als alleen maar de dood voorhanden schijnt. "Zeg de Israëlieten, dat zij opbreken!" Zij mogen niet blijven zitten in angst en wanhoop. Er is uitkomst mogelijk. Op de meest ongedachte wijze. Wij kunnen in deze tijd ontzettend veel donkere wolken om ons heen zien drijven. Tal van duistere elementen kan ons leven in beslag nemen. Het kan zo zijn, dat we bijna geen hand voor ogen kunnen zien. Toch klinkt dan het woord: opbreken! We moeten verder. We mogen niet blijven zitten in onze ellende. Dat geldt voor al die familieleden van de slachtoffers in Irak en Afghanistan en Israël, die door aanslagen getroffen werden. Het geldt ook voor u en mij, die om wat voor reden ook geen uitkomst meer zien. Opbreken! Ondanks alle troosteloosheid van het bestaan, de grillen van het lot, mogen we, nee: kunnen we met nieuwe moed de moeilijkheden tegemoet treden. De Here zal voor ons strijden! Van Hem alleen is de verlossing te verwachten, ook in de wereldpolitiek. Verlossing zelfs van de dood. Oh ja, we blijven misschien even hulpbehoevend, even ziek, even machteloos, maar de Heer geeft een nieuwe kleur aan het leven, een nieuwe glans. Met Hem kunnen we alles weer aan. Hij is de garantie van een nieuw, werkelijk bestaan. Opbreken en in Zijn kracht verder! Op het spoor dat Hij ons wijst.
De melaatse Samaritaan had dat begrepen: dat God het was die hem het leven had teruggegeven. Hij was opgebroken om terug te gaan naar Jezus. En hij wierp zich op zijn aangezicht om Hem te bedanken. Nota bene, een Samaritaan. En Jezus antwoordde en zeide: "Zijn niet alle tien rein geworden? Waar zijn dan de negen anderen?" Waren er dan geen anderen om op te breken en terug te keren en God de eer te geven, dan deze vreemdeling? En Hij zeide tot hem: "Sta op, uw geloof heeft u behouden." De Samaritaan, de vreemdeling, had het begrepen... Weer eens wordt een vreemdeling ons ten voorbeeld gesteld. Tragisch, dat Israël en dat Christenen door alle tijden heen hebben moeten ervaren, dat het de "anderen" zijn geweest en nog zijn, die de dienst aan God en het vertrouwen op God beter hebben verstaan en vaak nóg verstaan dan zij zelf. Dat moet ons klein en bescheiden maken, juist ook in de dialoog met die anderen. De dialoog bijvoorbeeld, die in ons land nodig gevoerd moet worden met Moslims en andersdenkenden. Laten we toch dankbaar zijn, dat we nog mogen opbreken en dat de weg naar Jezus terug nog open is. God geeft ons nog gelegenheid en tijd om dat te doen, wat we nodig doen moeten: opbreken en terugkeren. De Samaritaan deed het. Doet u het ook? Amen De doortocht door de Schelfzee een gelovige vrouw: Daar staan we nou. een cynische vrouw: een bange man: een cynische vrouw: een gelovige vrouw: Mozes : een gelovige vrouw: een bange man: een cynische vrouw: Willibrord Huisman, 1996, |
|
||||||||||||||
|
|
|
|
||||||||||||||