De enge poort

De brede en de smalle wegMattheüs 7, 13-14
"Gaat in door de enge poort, want wijd is de poort en breed de weg,  die tot verderf leidt; velen zijn er die daardoor ingaan;
want eng is de poort, en smal de weg, die ten leven leidt, en weinigen zijn er, die hem vinden."
     

We hebben vanmorgen een tekst, die iedereen wel eens gehoord heeft. Vroeger hing er in veel gezinnen een plaat aan de wand, die de beide wegen uitbeeldde. Links een wijde poort met "hartelijk welkom" er op. Maar zo leuk was het daar niet, waar naar toe gewezen werd waren: dood en verdoemenis. En achter die poort een brede, gemakkelijk begaanbare weg, die voerde langs een balzaal, een schouwburg, een casino en een kermiskraam. En deze weg eindigt in een rode vuurvlam met veel rook en bliksemstralen. Boven dat alles staat een weegschaal met de dreigende woorden: gewogen en te licht bevonden.

Klik hier om een een grotere afbeelding te bekijken.

Hebt u die plaat ook wel eens gezien? Vast wel! Aan de rechter kant zie je een nauw poortje met een soort dominee er voor, die je uitnodigt om binnen te komen. Achter dit poortje is een hele moeilijke steile weg, omhoog langs een kerk, een zondagsschool, een diaconessenhuis, om uiteindelijk uit te komen in een stad, badend in licht waarboven engelen zweven.

Zo bekeken de mensen vroeger onze tekst van de twee wegen. Een dierbare plaat, maar ook wel een beetje angst aanjagend. Het werd je voortdurend voorgehouden: "Denk er om, dat je daar niet komt, op die brede weg, want dat wordt je ongeluk!" Toch is die uitleg, hoe goed bedoeld ook, niet juist! Ik zal u vertellen, waarom ik dat denk. Ten eerste is er het bezwaar, dat die twee wegen zo streng van elkaar gescheiden zijn. Je kunt niet van de éne weg op de andere komen. Hoe kan een mens zich dan nog bekeren? En hoe komt het dan zo vaak voor, dat mensen van de smalle weg toch op die brede ongelukkige weg terecht komen? Een ander bezwaar is, dat op de smalle weg alleen maar kerken en zo staan en op de brede weg alleen maar gebouwen om zich te vermaken. Zo is het in werkelijkheid toch helemaal niet? Ook op de brede weg staan kerken en op de smalle weg vind je een goktent. Het ergste vind ik, dat beide wegen uitgestippeld worden tot het einde toe. Als iemand maar door het poortje gegaan is, loopt alles als vanzelf en heel goed af. Men hoeft alleen maar van te voren te kiezen: ga ik rechts of ga ik links. Maar zó heeft Jezus het toch helemaal niet gezegd? Jezus zei, dat de weg gevonden moest worden! Elke dag opnieuw wordt je voor de keuze gesteld.

Daarom denk ik, dat Jezus het heel anders bedoeld heeft. Om dat te begrijpen moeten we ons indenken wat de Jood in Jezus' tijd geloofde. Wij moeten de Joden een Jood worden, willen we Jezus' woorden kunnen bevatten. Het godsdienstige denken werd in die tijd beheerst door de Farizeeërs. Dat waren bestudeerde Schriftgeleerden, zó geleerd dat de boeren en vissers die Jezus volgden daar niet aan konden tippen. Die werden dan ook gezien als "gewoon volk", dat de Wet niet kent. Toch stonden ook zij wel degelijk onder invloed van hen, die de Wet wel kenden, de Farizeeërs dus. En daarom begrepen zij ook best goed, waar Jezus het over had, die brede en smalle weg. Dat Hij daarmee kritiek gaf op de instelling van de Farizeeërs!

Waar zouden Jezus' hoorders aan gedacht hebben, toen Jezus sprak over de brede weg? Ik weet wel zeker, dat zij meteen dachten aan de weg van instellingen en geboden, die de Farizeeërs het volk voorhielden en waarop zij zelf voorbeeldig wandelden. Zij kenden immers het Oude Testament, de Thora, en zij hadden van Gods geboden een heel ingewikkeld wetboek gemaakt.

Neem nu eens de 119e psalm, waarin de lof der Wet wordt bezongen. "Welzalig Zij, die onberispelijk wandelen, die in de Wet van de Heer gaan". Letterlijk staat er: "Welgelukzalig zijn de oprechten die op de weg gaan", dan volgt er: "die in de Wet des Heren gaan". De verzen lopen dus parallel en parallelteksten betekenen in de Hebreeuwse poëzie hetzelfde. Dus: de weg is de wet des heren. Verderop in diezelfde psalm komen we dit tegen: "Uw Wet wil ik voortduren bewaren tot in alle eeuwigheid, zo zal ik wandelen op ruime baan." Hier hebben we dus de gedachte aan de brede weg. Ook staat er nog: "Uw gebod is zeer wijd", dat wil dus zeggen: "Uw weg is zeer breed".

Nu wordt het ons iets duidelijker, hoe Jezus Zijn woord over de brede weg bedoeld heeft. Het is de weg van Gods geboden en inzettingen, waarop de Farizeeërs wandelden. Zij verwachtten op deze weg als Gods vromen de zegen van God! Want wie zich aan de Wet van God hield, werd verlost uit de benauwdheid en in de ruimte gesteld. Het is dan ook daarom, dat zij voortdurend bezig waren om Gods geboden te begrijpen en na te volgen. De brede weg was dus de weg van voorschriften, inzettingen en verordeningen, waarop de Schriftgeleerden wandelden. En velen wandelden op die weg! In Jezus' dagen moeten er wel vier á vijf duizend Schriftgeleerden geweest zijn, alleen al in Jeruzalem. Maar om op die brede weg te komen moest men eerst door een wijde poort.

Bij dit woord hebben de toehoorders van Jezus ongetwijfeld gedacht aan de Wet. Waar men bij "de weg" meer dacht aan de levenswandel volgens de inzettingen en geboden, daar dacht men bij de poort meer aan de eigenlijke Wet des Heren, de tien geboden en wat daar mee samenhing. Wij zeggen wel eens "leer en leven". De leer is Gods Thora, en het leven is de levensweg, gebaseerd op die Thora. De Jood maakt nóg dit onderscheid. De "weg", dat is de Halacha, het hele complex van wat je moet doen en moet laten. En de leer, dat is de Thora.

Zo is de poort van de levenswandel de Wet des Heren. Psalm 118 zingt daarvan: "Ontsluit mij de poorten der gerechtigheid, ik zal daardoor binnengaan." Dit is de poort des Heren, de rechtvaardigen gaan daardoor binnen" (vs.19 en 20).

Nu wordt het ons duidelijk, waaraan de mensen in Jezus' dagen dachten, wanneer er gesproken werd over de wijde poort en de brede weg. De Farizeeërs riepen de mensen als 't ware toe: "Mensen, gaat toch in door de wijde poort van de Wet en wandelt daarna op de brede weg van de inzettingen. Dan wordt u in de ruimte gesteld. Dan wordt de zegen van de Heer uw deel. Dan komt u tot eeuwig leven!" Jezus staat onder die mensen en hij hoort het ook en vlijmscherp is Zijn antwoord: "Breed is de weg en ruim is de poort, die tot het verderf leidt!" Want het is maar uiterlijk vertoon, en uitwendige wettische vroomheid leidt nooit tot leven! Dat bedoelt de Heer nu. Wie in vormendienst opgaat, eet zich de dood. Hier al begint het conflict tussen Jezus en de leraren van zijn tijd, en we weten waarop dat is uitgelopen. Het zijn deze wettische vromen geweest, die straks zullen uitroepen: "Wij hebben een Wet en naar die Wet moet Jezus sterven!" In de kruisiging van de Heer worden we gewaar, dat het einde van de brede weg het verderf is!

Tegenover de wijde poort en de brede weg stelt Jezus iets anders: de enge poort en de smalle weg. Zoals Jezus Zich in het Johannes Evangelie de deur noemt, zó noemt Hij Zich hier de poort. "Ik ben de deur. Als iemand door Mij binnenkomt, zal hij behouden worden; en hij zal ingaan en uitgaan en weide vinden" (Joh.10,9). Zonder Hem kan niemand komen op de weg van het leven . Men moet altijd door Hem heen. Hij is het en Hij alleen! Niet door een reeks geboden en dogma's, hoe zinvol op zichzelf ook, niet door een wettisch geloof komen we er. Nee, alleen door de poort, die Hij is, de lévende Heer!

Maar het is een enge poort en een smalle weg. Het is dan ook een waagstuk om door die enge poort binnen te gaan. Petrus riep eens uit: "Heer, ga uit van mij, want ik ben een zondig mens!" Ook wij krijgen die neiging, als we de poort willen binnengaan, om weer terug te gaan, we voelen ons onmachtig en onwaardig ook net als Petrus. Het wordt toch nooit iets met ons op die smalle weg! Aan de andere kant: we worden er ook door aangetrokken. Het is Gods Vaderhart, dat ons zoekt en trekt. Maar die poort is zo nauw! Waarom toch? Zou het misschien zijn om ons wat smaller te maken? Wij leven altijd zo breeduit. Wij moesten eens tot inkeer komen, tot bekering! Het gaat niet meer om het volgen van de Wet, maar om de navolging van Hem, de Heer. Waag het met Mij! Hij staat daar voor armen van geest en treurenden, voor zachtmoedigen en hongerigen naar de gerechtigheid. Hij staat daar ook voor ons en roept ons toe: waagt het met Mij!

En wie door déze enge poort binnentreedt, komt op de smalle weg. De weg van zelfverloochening en kruisdragen achter Jezus aan. Wij moeten wat minder breed worden, van ons eigen ik, onze hoogmoed, moet heel wat af. Daarom is die weg zo smal, om ons bescheiden te maken. En toch moeten we over die weg! "Want wie zijn leven zal willen behouden, die zal het verliezen, maar wie zijn leven verliest om Mijnentwil, die zal het behouden!"

Het is een weg vol strijd, maar een strijd die tot de overwinning voert. Soms ook een heel donkere weg, maar een weg die tot het Licht leidt. Wij moeten die weg gaan. Er is geen andere weg. De weg, die Jezus is. "Ik ben de weg, de waarheid en het leven."

Weinigen zijn er, die hem vinden. Jezus constateert dat met droefheid. Tegelijk roept Hij ons met liefde toe: "Ga toch op die weg, zoek hem!" Zelf is Hij ook die weg gegaan, door de smalle poort van Getsemane, over het smalle pad naar Golgota, voor u en voor mij.

Amen.

Copyright 2010 Pastorale Kroes