|
||||||||||||||||
|
Danklied na uitredding
De Psalm is echt een lied uit het oude oosten. We vinden daar gedachten, die we wel vaker in het Oude Testament tegenkomen. Zoals dit: dat ziekte en handicap gezien moeten worden in het licht van Gods toorn. Dat God ook uit liefde Zijn volk langs een diepe weg kan leiden, daar had de dichter nog geen oog voor. Ziekte als bestraffing van God wordt zo voor de vijanden een reden tot triomf! Zeker, als deze met de dood eindigt. Van meeleven en meelijden horen we hier niets. Alleen van leedvermaak is er sprake. Gelukkig denken we daar vandaag wat anders over! De dichter bidt wel tot God, toen hij in nood was. Dat is heel mooi. Maar wat hij tegen God zei, dat zouden wij nooit doen, denk ik. Hij herinnerde er God aan, dat God er niets aan zou hebben, wanneer de dichter dood ging. Doden immers kunnen God niet meer loven en prijzen! Het zou voor God verlies betekenen, wanneer er weer één minder op aarde zou zijn, die Gods lof kon verkondigen. In de Psalm horen we niets over een leven na de dood. Voor de dichter is de dood een laatste verschrikking: het totale niets, het eeuwige zwijgen. Dat er iets na de dood komt, iets moois, iets van God, daar had de dichter nog nooit van gehoord. Dat de doden tot leven komen om mooier dan ooit God de lof toe te zingen, dat was hem nog verborgen.
Maar dan voelt de mens zich ook verplicht om God daarvoor te loven en te danken in een lied. Want echt Israëliet als de dichter is beseft hij ten volle, dat het God in die redding niet zo zeer gaat om de mens in nood, maar veeleer om Zich Zelf. Zijn naam moet daardoor groot gemaakt worden! Hij moet er door verheerlijkt worden!
Misschien heeft u ook wel eens zoiets meegemaakt, dat je op 't nippertje van de dood gered bent als door een wonder. Mag ik u vragen, wat u toen gedaan hebt? Toen u in die nood verkeerde en daarna, toen de nood over was? Hebt u toen ook gebeden om uitkomst? En daarna: gedankt? Gedankt met een lied en met uw leven, dat u als 't ware had teruggekregen? Voor mensen, die bijvoorbeeld een hartinfarct hebben gekregen, ziet het leven daarna er heel anders uit. Je bent dankbaarder, maakt je niet meer zo druk om vele dingen. Je gaat meer relativeren: zo veel zaken zijn o zo betrekkelijk, als je eens de dood in ogen hebt gezien. Maar zeg eens eerlijk: was het zo ook bij u, die dankbaarheid en het zingen van een danklied? Of is dat ver een beetje bij in geschoten? Gebeden zult u wel hebben. Het spreekwoord zegt niet voor niets: "Nood leert bidden". Maar wat daarna had moeten komen... Ach, een mens heeft goede voornemens, maar er komt zo weinig van terecht, de nood is weer gauw vergeten niet waar? Zo gauw je 't zelf allemaal weer kunt, heb je God niet meer nodig! Dat is heel erg. Dat moet God wel pijn doen. Kijk, zó was onze dichter niet! En wij kunnen 't van hem leren, hoe het moet, hoe het anders kan.
Kijken we nog eens naar de hele Psalm, dan wordt ons wel zoveel duidelijk, dat hier een man aan het woord is, die zijn lesje geleerd heeft. De zware ziekte, waaruit hij gered is, heeft hem dit geleerd: dat ons leven toebehoort aan God, of -zoals de Naardense Bijbel vertaalt- de Ene. En dat dit te weten je verdere leven in een geheel ander perspectief zet! Als we dat eens van elke ziekte en bij elke zieke konden zeggen, wat zou dat heerlijk zijn. Elke ziekte mag als een roepstem van God ervaren worden, om je te bezinnen op een ander leven, meer aan God gewijd: een leven in Zijn welbehagen! Maar wordt die roepstem ook gehoord en verstaan? En worden mensen daardoor veranderd? De dichter heeft die roepstem wel verstaan. En dat was nodig ook, want het zou hem vergaan zijn als de meeste mensen. Toen alles hem voor de wind ging, dacht hij niet aan God. Hoort u zelf maar:
Hij dacht dat het geluk niet op kon en dat hij alles zelf goed in handen had, zelfverzekerd, en hij vergat wat hij later wel leerde inzien:
Dat is zo echt menselijk: in voorspoed denkt de mens God niet nodig te hebben. Je zit als 't ware op een berg en voelt je onoverwinnelijk. Mij kan niets gebeuren! Maar o wee, als de nood aan de deur klopt, er komt ziekte of handicap of zelfs dood, waar blijft die mens dan? God keert Zich van je af, zo voelt het, en je bent verbijsterd! Als je dan nog bidden kunt, ben je goed af. Nood leert bidden, ik zei het al. Maar het omgekeerde is ook waar: bidden leert ook onze eigenlijke nood. Toen de dichter tot de Ene bad, besefte hij opeens ook hoezeer hij Hem vergeten had. Hij had gelukkig thuis nog bidden geleerd. Voor veel mensen vandaag is dat niet meer het geval. Waar moeten zij hun troost zoeken, als er tegenslag en verdriet komt? Tot wie kunnen zij zich nog om redding wenden? Tot doctoren? Professionele hulpverleners? Instanties? Mantelzorgers? Best goede en bekwame mensen, maar het zijn ménsen, het is mensenwerk. Zouden we niet een Hogere Instantie nodig hebben?
Laten we dat in ons eigen leven ook gaan toepassen! We moeten ons afkeren van eigen kracht en toewenden naar Gods kracht.
Amen. |
|
||||||||||||||
|
|
|
|
||||||||||||||