|
||||||||||||||||
|
Herinneringen aan een oude vriendSoms wordt je getroffen door herinneringen aan mensen, die niet meer "onder ons" zijn, in levende lijve bedoelen we dan. Maar ze zijn eigenlijk nog wel "onder ons". Ze blijven voortleven in onze herinnering. Dat heb ik nou met mijn oude vriend Kees van Dijk uit Waalwijk. Noem het een soort zielsverwantschap. Zoiets is sterker dan de dood!
De kennismaking met Kees en met zijn vrouw Annie groeide in die jaren uit tot een hechte vriendschap. Hoeveel dikke sigaren hebben we toen niet gerookt! Hoeveel cognacjes zijn er niet doorgegaan! We hadden over en weer dezelfde belangstelling en ideeën. Zo hielden we beiden van mooie barokmuziek. Samen hebben we onze platencollectie aangevuld. Zelf betrok ik altijd de platen via het Centraal Missie Commissariaat. Dan kreeg ik ze tegen inkoopsprijs. Maar Kees had ook zijn adresjes. Zo kwam hij eens terug uit Amsterdam met de "Bach-Bijbel" (alle orgelmuziek, bespeeld door Marie-Claire Alain) en bracht er voor mij ook één mee. Zijn werkruimte had Kees boven de kledingzaak: een grote zolder met in 't midden een biljart. Als vrienden hebben we daar menig balletje gestoten. Soms nodigden we Rini van Bracht, de driebanden kampioen van Nederland, die ik nog getrouwd had, uit om ons wat les te geven en te laten genieten van schitterende kunststoten. Toen later Annie overleed en Kees alleen overbleef, vereenzaamde hij wel wat. Zeker ook, toen het lopen hem bemoeilijkt werd door een halfzijdige verlamming. Hij ging toen weer wonen in zijn oude huis boven de kledingzaak. Hij kon met een traplift naar boven. Het was elke keer weer een blij weerzien, als we in Waalwijk terugkwamen. Zijn grammofoonplaten bij mij in de kast en een hele dikke sigaar in een houten kistje herinneren me dagelijks aan die trouwe vriendschap. Om hieraan uiting te geven, laat ik nu volgen wat ik bij zijn begrafenis gezegd heb: Meditatie in de rouwdienst van Kees van Dijk Kinderen, kleinkinderen, familie, vrienden, belangstellenden, Wat een prachtige psalm is dat, Psalm 39 ! Het is een bede om berusting, vanuit het vertrouwen dat de dichter in zijn God heeft. Die dichter zal David geweest zijn. Hij staat midden in het leven, in dat harde vergankelijke leven, en hij bidt: “Here, laat mij mijn einde kennen en welke de maat van mijn dagen is. Laat mij weten hoe vergankelijk ik ben.” Wist hij dat dan niet? Natuurlijk wel. Als één ding de mens duidelijk wordt, dan is het toch wel dit: dat de mens vergankelijk is. “Zie, gij hebt mijn dagen als enige handbreedten gesteld, mijn levensduur is als niets voor U. Ja, de mens gaat daarheen als een schaduw, ja als een ademtocht suizen zij weg....” De dichter wist heel goed, hoe het staat met het leven, met de nietigheid van de mens, en daartegenover met de macht van God, die op Zijn tijd over leven en dood beschikt. Ook wij wisten dat, de laatste dagen, zoal niet veel eerder. Wij hadden het wel willen uitschreeuwen met de woorden uit diezelfde psalm “Ik ben verstomd, ik doe mijn mond niet open, want Gij zelf hebt het gedaan.” Zo werden wij maandag verstomd en zo zitten wij hier bijeen: met stomheid geslagen. En wie zal ons de mond openbreken? Wie kan hier nog iets zeggen tegenover de dood, die zo plotseling komt? “En nu, wat verwacht ik Here ? Mijn hoop, die is op U !” “Mitten wir im Leben sind mit dem Tod umfangen”, zo luiden de beginwoorden van een oud Luthers kerklied, in ons Liedboek opgenomen als Gezang 272. “Midden in het leven zijn wij door de dood omvangen, wie is daar die hulp ons biedt, dat wij troost erlangen? Alleen Gij, Here Jezus!” En de grote Luther bidt: “Laat ons niet verzinken in de bittre nood des doods! Kyriëleison!” Daar bidden wij ook om, hier in de kerk. Om rust te vinden. Om de schok te verwerken die de dood over ons heeft gebracht. Om te ervaren, wat Luther mocht ervaren, dat met die dood midden in het leven gelukkig niet alles gezegd is. Want je mag het ook omdraaien: “Midden in de dood zijn wij door het léven omvangen.” Deze omkering is de héle en eigenlijke waarheid! Zó kan Paulus zeggen: “Niemand van ons leeft voor zichzelf en niemand sterft voor zichzelf, want als wij leven, het is voor de Heer, en als wij sterven, het is voor de Heer. Hetzij wij dan leven hetzij wij sterven, wij zijn van de Heer. Want daartoe is Christus gestorven en levend geworden, opdat Hij en over doden en over levenden Heer zou zijn.” (Romeinen 14, 7-9). De mens leeft niet voor zichzelf. Zou dat het geheim van het leven zijn? Lost dat het probleem van de dood op? Ja, zegt Paulus. Pas dan zul je ervaren, dat je midden in de dood door het leven zelf omvangen bent. Een mens leidt niet zijn eigen leven, want het is van een ander. Klinkt niet erg modern. Moeten we dan niet assertief zijn? Op ons zelf passen en aan onszelf denken en voor ons zelf opkomen? Paulus heeft dat ook lang gedacht, totdat God er een stokje voor stak.”Nee Paulus, het gaat niet om je zelf, om je kracht en je gezondheid... je bent dan nu wel gehandicapt, maar bedenk wel en onthoudt dat goed: Mijn genade is jou genoeg!”
Tot het laatst toe! Dat was zijn sterke jonge geest in een oud en gebrekkig lichaam. Ik denk toch, dat dit alles te maken heeft gehad met zijn geloofs- instelling, dat geen mens voor zichzelf leeft, hij ook niet .En dat je je leven moet verantwoorden, wie je ook bent en wat je in dat leven ook bereikt hebt. En dat leven is zeker niet gemakkelijk voor hem geweest, vooral de laatste etappe, nadat hij door een hersenbloeding verlamd geraakte en nog veel erger: nadat hij zijn trouwe maatje verloor,een regelrechte amputatie van zijn leven. Zijn Annie was hem immers alles. In eerbied gedenken wij vanmiddag dan ook haar en bidden wij God, dat Hij zich mag ontfermen over deze twee-eenheid, die jullie ouders en grootouders zijn geweest. Hun trouwtekst was Galaten 5 vers 2: “Draagt elkanders lasten, zo zult gij de wet van Christus vervullen.” Wel, dat hebben zij waargemaakt in hun leven. Elkaars lasten hebben zij gedragen en zoals het goede ouders betaamt de lasten van hun kinderen en als werkgevers van een steeds groeiend personeelsbestand ook lasten van de medewerkenden in het modehuis. Voor velen betekent zijn heengaan dan ook een groot verlies. In de eerste plaats natuurlijk voor jullie kinderen, je kunt niet meer bij Pappa en Opa terecht. Er komt geen afgewogen advies meer, de snoepla gaat niet meer open. De wagen wordt niet meer ingespannen, met De Vries achter het stuur, richting Amsterdam voor de inkoop, Den Dolder voor Margriet en Dussen,voor de zussen. Wat was hij trouw aan de zijnen! En wat tilde hij zwaar aan verdriet in de familie, met name bij de kinderen. Hoe onverdragelijk was het voor hem, dat zijn geliefde dochter voor de tweede keer door de hel van een zwaar lichamelijk lijden heen moest. En nu heeft de Heer zich over hem ontfermd. Hij heeft hem rust gegeven. Wat goed, dat we dat vanmiddag tegen elkaar kunnen zeggen. Hij is zo maar van ’t ene op het andere moment geroepen. Hij genoot nog van de koffie en toen opeens ging hij over van het aardse in het hemelse, al de zorgen achter latend. Wat een grandioos moment is dat geweest. Jij Peter was daar getuige van. Het zal je je leven bijblijven. Hier gaat een mens, die tot het laatst hard gewerkt heeft, een liefhebbend en een gekweld mens, de rust van zijn Heiland ontvangen! “Mijn genade is u genoeg!” Wat willen we nog meer? Moeten we daar maar geen Amen op zeggen? Genade is een machtig woord. Juist omdat het zoveel in zich bergt: vriendschap, hulp, vergeving... Je krijgt iets wat je niet verdient: onverdiende genade. Iets waar je eigenlijk geen recht op hebt... Met genade wordt vooral Gods barmhartigheid bedoeld: dat Hij naar ons omziet en door dik en dun ons trouw blijft. Genade slaat bovenal op wat Jezus voor ons gedaan heeft: dat Hij zijn leven voor ons gegeven heeft. Waarom? Opdat er voor ons leven zou zijn! Nu en straks in de goddelijke eeuwigheid. In die genade zijn wij allemaal behouden: jullie vader en moeder, jullie zelf, de kinderen, de oudere familieleden, de vriendenkring, de medewerkers van de zaak, de zakenrelaties, en ga zo maar door... allemaal behouden. Aan die genade van God mogen wij elkaar ook toevertrouwen, overdragen: in de handen immers van de levende God. En zo zullen wij rust vinden, ook als de dood ons aan het wankelen brengt. Want die genade geldt voor leven en dood. Die dood kan zo maar komen in ons leven, verwacht of onverwacht. Maar die genade van God, daar kunnen we altijd op rekenen. “Komt allen tot Mij, die vermoeid en belast zijt en Ik zal u rust geven.”Die rust komt nú en morgen en alle verdere dagen van ons leven. Die rust komt voor Kees van Dijk, voor hem, die mag rusten van zijn werkzame leven, van zijn getob met dat ene been, dat niet mee wilde, van het verdriet om alleen door het leven te moeten gaan, van de zorgen om zijn kinderen en kleinkinderen en al wat dies meer zij. Een mens mag tot rust komen. Die rust geeft de Heiland hem, jullie vader en opa, maar ook jullie zelf. Jullie mogen ook verder in die rust. Verder met je werk, de zorgen om elkaar, de lasten van een groot bedrijf. Jullie staan nu op het voorste plan! Maar ach, wat geeft ‘t? Jullie ouders beide hebben jullie de weg gewezen. En ook voor jullie zal Gods genade genoeg zijn. Amen. Op de begraafplaats werd gelezen: Openbaring 21, vers 1-8
|
|
||||||||||||||
|
|
|
|
||||||||||||||