DE PREDIKANTEN

'K Wil u nog wel de namen geven
Van hen, die met hun werk verweven,
Hier van de hoge ruime kansel,
Uitpakten wat eerst in hun ransel
Tevoren goed was ingepakt,
Opdat, wie waren ingezakt,
Door 't prediken van Gods genade
Hun accu weer óp konden laden.

Dat was dan eerst met pastor Blauw,
Ja, Van der Voet, die hier al gauw
Bemind was in de hele wijk;
Dan volgde Drost, de rederijk;
Al mocht u hem ook nog zo graag,
Hij was op doorreis naar Den Haag.
In de oorlog kwam Henk van der Loos,
Hij had figúúr als destijds Moos.
Een luttel aantal jaren later
Kwam Gradus Koch, belust op water,
Want hij was dol op hengelvissen,
Maar kon z'n kerkvolk toch niet missen.
We kregen ook hier doctor Scheers;
't Beginsel van verdeel en heers
Was verre van z'n aards bestaan;
Hij had het ook niet graag gedaan.
Jan Veenendaal kwam op de proppen,
Om hier z'n boontjes te gaan doppen.
Na tien jaar trok hij weg naar Vorden,
Om daar de toga aan te gorden.
We hadden ook nog Bas Vermaat
Daar ginds in de Van Egmondstraat.
Na hem trok Monshouwer hier heen;
Of hem dat nu al spijt? Welneen!
Tenslotte kregen we Philip Kroes
Met vrouw en kind'ren, hond en poes.

Zo daad'lijk ziet u ze allemaal:
Dit is het slot van het verhaal.

Terug naar "Herinneringen aan de Julianakerk in Haarlem"

Copyright 2010 Pastorale Kroes