|
||||||||||||||||
|
Soppen bij Bach
Ik zette de spullen van de bovenste plank op tafel. Een fonduestel, ooit van ons viertal gekregen. Zaterdagavond, langer opblijven, blije kindergezichten, ouders genietend. Met een vochtige doek haalde ik stofrestjes weg, zette het fonduestel terug; mijn kinderserviesje voelde als een dierbare vriendin. Kopjes van wit porselein met blauw bovenrandje, rode en gele bloempjes, op de achtergrond het dak van een huisje. Een grote barst liep door een gelijmd schoteltje, de rest was ongeschonden. Vriendinnetjes kregen limonade uit de theepot. Eindeloos ‘theedrinken’ met miniatuur koekjes. De alt zong:
Verloren gewaande kopjes van Chinees porselein doken op, ik zag de geefster er van. Juffrouw Snip, leidinggevende op ons lab. Ze stoorde zich niet aan de tijden van onze huwelijksreceptie maar stond een het eind van de morgen op de stoep en werd in koortsachtige opwinding ternauwernood opgemerkt. Zo schoof ze tussen de naaste familieleden en staat voor altijd in de fotoreportage. Voorzichtig zette ik een spin uit de kast en vroeg me af of Frieda Snip nog leefde. Ze kwam uit Indonesië en voelde zich vaak miskend. De kopjes waaruit mijn schoonouders altijd dronken wanneer ze op bezoek kwamen, gaven een trilling en toen zag ik plots de stenen puddingvorm, gekoesterd door mijn lief omdat hij altijd de staart van de vis kreeg. Zondag, smetteloos tafellinnen, dekschalen met gouden biesjes, blanke bloemkool, kruimige aardappelen, die speciale geur van vlees en jus. Mijn schoonmoeder glunderde, haar kookkunst was niet te overtreffen. De plank was klaar op een lange rij gloeilampen na. Grote fittingen, kleine fittingen, helder en mat glas. Waarom hadden we zo idioot ingeslagen? De plank er onder was aan de beurt, het koor zong:
Borden, dekschalen uit vervlogen tijden, kopjes genoeg om de halve straat uit te nodigen, mijn verloren gewaande mok met fijne tekening van een wroetend varken kwam in zicht; ik begon aardigheid in de klus te krijgen. Bekers uit Canada, bekers uit Tsjechië, onbekende bekers in smakeloosheid. In de hoek lag een verdwaald paaseitje, witte chocolade in paars papier. Een zonnestraal drong binnen, de regen was voorbij. Ik wierp de sopdoek weg, schakelde de muziek uit en snelde gesterkt door Bach naar buiten. De bloemen lachten, het onkruid sidderde... Aly Brug |
|
||||||||||||||
|
|
|
|
||||||||||||||